Voortgang wetstraject verdere inpassing lwoo/pro in passend onderwijs

Minister Slob wil de wet wijzigen om regio’s meer ruimte te geven aan te sluiten bij de behoefte van leerlingen in de regio en de middelen voor lwoo en pro op basis van deze behoefte te verdelen. Daarnaast is minister Slob voornemens de landelijke criteria en licenties voor leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) los te laten. Tot slot is minister Slob in gesprek over de positie van het pro. De komende maanden worden gebruikt om het wetsvoorstel en de toekomstige positie van het pro te bespreken met diverse partijen zoals de Stichting Platforms vmbo, VO-raad, Sectorraad Praktijkonderwijs en NODS. De verwachting is dat het wetsvoorstel dit najaar openbaar wordt.

Inhoud van het wetsvoorstel

Het eerste gedeelte van de wetswijziging gaat over de verdeling van het geld voor lwoo en pro. Dat gebeurt nu op basis van het aantal leerlingen in 2012. Leerlingen die dus helemaal niet meer op school zitten. Het voorstel is om dat bedrag te koppelen aan de huídige aantallen leerlingen in leerjaar 3 en 4 van het vmbo (alle leerwegen). Uit onderzoek is gebleken dat het aantal leerlingen in de bovenbouw van het vmbo een goede voorspeller is van de behoefte aan lwoo en pro. Samenwerkingsverbanden van scholen krijgen dan het geld dat past bij het aantal leerlingen in de regio. Met eerder genoemde partijen wordt komende periode besproken of dit inderdaad leidt tot de juiste verdeling van het geld of dat aanpassingen noodzakelijk zijn. Voor samenwerkingsverbanden betekent deze andere verdeling van de middelen dat hun budget voor lwoo en pro kan wijzigen. Er zijn samenwerkingsverbanden die meer geld gaan ontvangen en er zijn ook samenwerkingsverbanden die minder geld gaan ontvangen. In beide situaties wordt voorzien in een overgangsperiode van vijf jaar, waarin het budget geleidelijk wordt op-, of afgebouwd.

Het lwoo

Leerlingen in het vmbo die ondersteuning nodig hebben om hun diploma te behalen kunnen een beroep doen op lwoo. Dit vergroot hun kans op een diploma in het vmbo en het behalen van een startkwalificatie. Voordat een leerling voor deze ondersteuning in aanmerking komt, moet hij of zij nu voldoen aan criteria. Dit zorgt voor toetsdruk voor de leerling. Daarnaast zijn er leerlingen die wel baat hebben bij deze vorm van ondersteuning, maar niet binnen de criteria vallen. Op dit moment is het mogelijk te kiezen voor opting out: samenwerkingsverbanden kunnen afwijken van de landelijke criteria en licenties. Ruim de helft van de samenwerkingsverbanden maakt gebruik van deze mogelijkheid. Dat percentage stijgt elk jaar en de ervaringen van de samenwerkingsverbanden met opting out zijn doorgaans positief. Daarom stelt de minister voor de criteria landelijk af te schaffen, waardoor scholen meer vrijheid hebben. Overigens mogen samenwerkingsverbanden zelf criteria opstellen, maar deze sluiten dan aan bij de behoefte van de regio. Maatwerk dus. Ook het loslaten van licenties voor lwoo geeft de scholen en regio’s meer ruimte aan te sluiten bij de regionale behoefte aan ondersteuning aan leerlingen.

Het pro

In Nederland volgen 30.000 leerlingen pro, waarin zij goed worden voorbereid op leven en werken in de maatschappij. Een groot deel heeft na het pro direct een betaalde baan. Ook stroomt een deel succesvol door naar het mbo. Een mooi resultaat. De meeste praktijkscholen hebben echter niet veel leerlingen en hebben, net als in andere sectoren, te maken met een leerlingendaling. Door de omvang van de scholen zijn zij daarvoor extra kwetsbaar.

Toekomst

Minister Slob wil dat het aanbod beschikbaar blijft voor leerlingen die dat nodig hebben en is met het veld in gesprek over de maatregelen die nodig zijn. Tot aan de zomer wordt in nauwe samenwerking met de Sectorraad Praktijkonderwijs en eerder genoemde partijen gekeken naar de positie van het pro, de kracht van de scholen en de maatregelen die nodig zijn om het onderwijsaanbod in de toekomst voor deze doelgroep te behouden.