Actualiteiten voor docenten en leidinggevenden in het vmbo.
Opiniestuk door Arjen Daelmans in de Volkskrant van 26 augustus 2026
Als we werkelijk geloven dat ieder talent telt, moeten we stoppen met kinderen te laten voelen welk talent het hoogste op de maatschappelijke ladder staat. Niet ieder kind hoeft naar dezelfde onderwijsroute. We zeggen dat ieder talent telt. Maar waarom klinkt een vwo-advies als goed nieuws en een vmbo-advies nog zo vaak als iets dat uitleg behoeft?
We zeggen dat ieder talent telt. Maar waarom klinkt een vwo-advies als goed nieuws en vraagt een vmbo-advies nog zo vaak om uitleg?
Een onschuldige vraag: ‘Wat gaat hij doen na de basisschool?’
We stellen die vraag ieder jaar opnieuw: aan de keukentafel, op het schoolplein, tijdens een verjaardag. Meestal bedoelen we er niets verkeerds mee. We willen gewoon weten welke school bij een kind past. Maar soms vragen we ongemerkt iets anders: hoe goed doet hij het?
Stel je twee kinderen voor. Het ene krijgt een vwo-advies. De reactie: ‘Wat goed!’ Het andere krijgt een vmbo-advies. De reactie: ‘O ja… maar hij is gelukkig heel handig.’
Niemand heeft iets onaardigs gezegd. Toch zit in die twee reacties een complete rangorde verborgen.
We vertellen kinderen dat ieder talent telt. Dat iedereen ergens goed in is. Dat verschillen ons sterker maken. Maar menen we dat ook?
Formeel zijn vmbo, havo en vwo verschillende onderwijsroutes. Geen ranglijst, maar verschillende manieren om talent te ontwikkelen. Kinderen leven alleen niet op papier. Ze horen wat volwassenen zeggen en zien waarop ouders trots zijn. Ze merken welke onderwijsroute klinkt als een ambitie en welke als iets waarvoor je je bijna moet verantwoorden. Zo leren ze al vroeg welke talenten in onze samenleving de meeste status hebben.
Wie goed is in wiskunde, noemen we intelligent. Wie een ingewikkelde machine begrijpt, noemen we handig. Wie complexe teksten analyseert, noemen we slim. Wie een technisch probleem oplost waarvoor geen handleiding bestaat, noemen we vakbekwaam.
Dat lijkt een verschil in woordkeuze, maar het is meer dan dat. Intelligentie is ongemerkt gelijkgesteld aan datgene wat we gemakkelijk kunnen toetsen, meten en vertalen naar cijfers en diploma’s. Wat meetbaar is, krijgt status. Wat moeilijker te meten is, krijgt een vriendelijk compliment.
‘Hij doet het misschien niet zo goed op school, maar hij kan ten minste goed met zijn handen werken.’
Waarom eigenlijk dat tenminste?
Alsof denken en doen twee verschillende werelden zijn. Terwijl een goede vakman voortdurend denkt: een technisch probleem analyseren, een constructie doorgronden, een storing vinden die niemand anders ziet. Het zijn stuk voor stuk vormen van intelligentie, alleen passen ze niet altijd netjes in een toets.
Daar zit onze blinde vlek. We hebben niet alleen verschillen in onderwijsroutes georganiseerd, we hebben er een harde rangorde in talent door aangebracht. Die rangorde begint niet pas op de middelbare school. Ze begint bij de trotse mededeling van een vwo-advies, bij de vraag waarom het geen havo is geworden, of bij de hoorbare opluchting wanneer een kind toch nog kan ‘opstromen’.
Ouders doen dat niet om hun kind te vertellen dat de een meer waard is dan de ander; ze willen hun kind alle kansen geven. Maar we zijn ‘alle kansen geven’ gaan verwarren met het klakkeloos kiezen van de meest theoretische route.
Natuurlijk hebben we vakmensen hard nodig. Maar dat mag nooit onze belangrijkste reden zijn om vakmanschap te waarderen. Een samenleving die een vakman pas waardeert wanneer zij hem dringend nodig heeft, waardeert hem uiteindelijk nog steeds alleen om wat hij oplevert. De diepere vraag is: vinden we dit talent ook waardevol als er geen tekort aan was?
Als we werkelijk geloven dat ieder talent telt, moeten we stoppen met kinderen te laten voelen welk talent het hoogste op de maatschappelijke ladder staat. Niet ieder kind hoeft naar dezelfde onderwijsroute.
Misschien moeten we onszelf daarom een andere vraag gaan stellen wanneer we over de toekomst van een opgroeiend kind praten. Niet: ‘Welk niveau doet hij?’, maar: ‘Waar ligt zijn kracht – en waarom vinden wij het ene talent eigenlijk waardevoller dan het andere?’
Die vraag gaat niet over onderwijs. Ze gaat over onszelf.
